MEMORANDUM VSOA 2014

Het VSOA is de mening toegedaan dat de burgers in dit land recht hebben op een performante openbare sector. Daarom dient te worden afgestapt van het idee dat de openbare sector in besparingstijden een sector is waarin naar hartenlust kan worden gekapt en gesnoeid en zo de eeuwige melkkoe voor de beleidsvoerders is. De regering moet alle middelen, menselijke en materiële, ter beschikking stellen, opdat de ambtenaren hun taak in optimale omstandigheden zouden kunnen uitvoeren.  

De ambtenaren staan dagelijks ten dienste van de gehele bevolking, zij verdienen dus veel meer waardering dan deze die de vorige regering haar toebedeelde; immers in crisistijden zonder regering zijn zij het die ervoor zorgen dat dit land blijft draaien.

Onderstaand memorandum wil de visie van het VSOA benadrukken in alle sectoren van de openbare dienst.

ALGEMEEN

De onderhandelingen tussen sociale partners in de openbare sector moeten ten volle gerespecteerd worden en moeten hun volle waarde kunnen hebben. Daarom dient het comité A geherwaardeerd te worden. Het is noodzakelijk dat het wordt omgevormd tot een instantie naar analogie met de NAR. Vandaag blijven intersectorale akkoorden immers dikwijls dode letter omdat ze niet afdwingbaar zijn. In de NAR echter hebben cao’s kracht van wet zodat zij van rechtswege toepasbaar zijn.

Hoewel een modernisering van het administratief statuut zich opdringt dient de vaste benoeming de regel te blijven. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan een beroep gedaan worden op de contractuele tewerkstelling. Interim-arbeid dient volledig uitgesloten te worden, behalve in specifieke gevallen en voor taken van onder meer van tijdelijke aard. Het spreekt vanzelf dat de voltijdse baan in alle gevallen voorrang verdient; deeltijdse banen kunnen slechts indien dat in samenspraak met de werknemer gebeurt. Zogenaamde Merkel- of Hamburgerjobs zijn helemaal uit den boze; in de eerste plaats omdat zij onderbetaald zijn en omdat zij diegenen die er dikwijls noodgedwongen dienen in te stappen in vele gevallen in de armoede laten terechtkomen.  Door de aangekondigde beperking in tijd van de werkloosheidsvergoedingen zullen de werklozen immers gedwongen worden om voor dergelijke banen te kiezen. Tevens dient werk te worden gemaakt van de afbakening van de carrière van de ambtenaren.

De nieuwe regering zal aandacht moeten besteden aan de gevolgen voor het openbaar ambt na de zesde staatshervorming en meer bepaald aan de financiering van de over te dragen bevoegdheden.
Een sterke eerste pijler moet de basis blijven van het pensioen van het personeel en de specificiteit van het pensioenstelsel voor de openbare sector dient te worden gerespecteerd. De voorbije jaren is een consensus gegroeid rond een aantal principes, die de basis vormen voor een wettelijk kader met betrekking tot een aanvullende pensioenregeling voor contractuele personeelsleden (tweede pijler), zonder dat dit de statutarisering van het personeel of het wettelijk pensioenstelsel in gevaar brengt. Die principes dienen te worden vastgelegd in een kaderwet, zodat vervolgens op sectoraal vlak de nodige afspraken kunnen worden gemaakt met het oog op de concretisering van een dergelijke regeling.
De lage pensioenen dienen verbeterd door een verhoging van de minima.
De gelijkschakeling van de perioden van DAC, TWW en BTK voor de pensioenopbouw van het overheidspersoneel zou niet meer dan een erkenning zijn van een realiteit.

De eindejaarspremie moet in de ganse openbare sector omgevormd worden tot een volwaardige dertiende maand.
Het grondwettelijk recht van vrijheid van vereniging en van vrije meningsuiting dient onverkort toegepast te worden. Deze rechten omvatten ook het stakingsrecht. Het stakingswapen is voor het VSOA het ultiem middel dat slechts gebruikt wordt wanneer alle middelen uitgeput zijn. In de eerste plaats dienen oplossingen gezocht en ook liefst gevonden te worden aan de onderhandelingstafel. Daartoe dient iedereen, ook en vooral de overheid zelf, bereid te zijn om naar die oplossingen te zoeken.
De voorbije jaren werden in zowat alle sectoren akkoorden afgesloten tussen vakbonden en overheid om een einde te stellen aan wilde stakingen. Deze akkoorden hebben het aantal wilde stakingen drastisch beperkt. Een spontane actie blijft echter steeds mogelijk, onder meer als gevolg van ernstige feiten. Dergelijke acties die dikwijls een noodzakelijke uitlaatklep zijn voor het getroffen personeel zijn nooit uit te sluiten en zijn wat het VSOA betreft verdedigbaar. Het VSOA zal zich echter met alle middelen blijven verzetten tegen eender welke eenzijdig opgelegde minimale dienstverlening.

FEDERAAL

FEDERALE DIENSTEN

Het VSOA eist een performant en kwaliteitsvol openbaar ambt. Een federaal openbaar ambt samengesteld uit vrouwen en mannen die bekwaam en voldoende opgeleid zijn. De overheid moet een aantrekkelijke werkgever zijn, die de kwaliteit van de dienst aan het publiek als doel heeft.
Om dit te bereiken moet ze een beleid ontwikkelen dat steunt op een hogere kwaliteit van de werkomstandigheden, een ontwikkeling van de toegenomen bevoegdheden en een loopbaanperspectief dat de ontplooiing van de personeelsleden in de federale openbare diensten toelaat.

Daarom moeten de politieke en administratieve overheden zich verbinden tot het voeren van een beleid dat verder gaat dan een simplistische visie, die essentieel wordt ingegeven door budgettaire bezuinigingen, die kost wat kost moeten behaald worden, ten nadele van de kwaliteit van de dienst aan het publiek.

Naar perfectie streven is enkel mogelijk indien de federale regering voldoende middelen vrijmaakt om dit doel te bereiken. Bij voorbeeld, de fiscale fraude zal enkel efficiënt kunnen bestreden worden als er voldoende technische en menselijke middelen ter beschikking zijn.

Vaststellingen
De vergrijzing van de bevolking treft evenzeer het openbaar ambt in het algemeen en het federaal openbaar ambt in het bijzonder.
Bijzondere aandacht moet aan de vernieuwing van de effectieven geschonken worden.
De voorbije jaren hebben we grote beperkingen gekend op het gebied van rekrutering, zodanig dat sommige federale openbare diensten moeilijkheden kennen om hun basisopdrachten te verzekeren.
Door het werkaanbod en omwille van de vergrijzing van de maatschappij in België, zal de functie vroeg of laat in concurrentie komen met de privé sector.
Niet wat het dienstenaanbod betreft, maar wel voor het werkaanbod voor de personen die op de arbeidsmarkt komen.
Het federaal openbaar ambt moet aantrekkelijk zijn zowel op het gebied van de verloning als voor de mogelijkheden tot loopbaanontwikkeling of andere voordelen die de ontplooiing van de werknemers tot doel hebben.
De bijscholing van het personeel is eveneens een motor tot ontplooiing en het VSOA stelt vast dat die bijna altijd wordt vergeten.

Sociale dialoog en eisen
Tijdens de laatste legislatuur heeft het VSOA een achteruitgang van de sociale dialoog vastgesteld. Loopbaanhervormingen werden eerder opgelegd dan onderhandeld. Dit is een breuk met het Belgisch model van de sociale dialoog binnen het openbaar ambt.

De loopbaanhervormingen die als essentieel voor het openbaar ambt werden aangekondigd, zijn in feite enkel bestemd voor de beambten en de personeelsleden die vanaf 1 januari 2014 zijn aangeworven. Alle andere personeelsleden werden in een uitdovende loopbaan geplaatst, d.i. de meerderheid van de 72.000 personeelsleden.

Die nieuwe loopbaan, die gericht is op evaluatie, werd door al de vakorganisaties verworpen.  
Ze zal ook leiden tot een budgettaire meerkost in 2017, met als gevolg dat nieuwe bezuinigingen zullen moeten gerealiseerd worden.
Het systeem dat zopas werd geïmplementeerd beantwoordt geenszins aan de verwachtingen van de werknemers in het openbaar ambt, noch aan die van de besturen, noch aan de doelstellingen die werden vooropgesteld door de politieke wereld.

Het VSOA vraagt derhalve een nieuwe onderhandeling aan de toekomstige nieuwe federale regering, over het geheel van de loopbanen en het evaluatiesysteem dat eraan verbonden is.

Deze onderhandeling moet gebeuren met respect voor het syndicaal statuut, rekening houdend met al de parameters die toelaten om een kwaliteitsvol, performant en efficiënt federaal openbaar ambt te hebben.

Een ander dossier is dat van de regionalisering en communautarisering van federale diensten ten gevolge van de 6de staatshervorming. In plaats van dit dossier, dat grote vrees veroorzaakt bij de betrokken personeelsleden, onmiddellijk aan te pakken, heeft de overheid tot de laatste weken gewacht om de onderhandeling aan te vatten. Het gevolg van die weigering om zo vroeg mogelijk te onderhandelen was de unanieme verwerping van dit project door de vakorganisaties.
Het VSOA betreurt die gemiste kans om proactief te handelen in een dossier dat zo belangrijk is.

Het VSOA vraagt derhalve van de toekomstige regering meer aandacht en een respectvolle benadering van het syndicaal statuut in alle dossiers met betrekking tot de overdracht van bevoegdheden ; het zijn niet enkel materies, maar ook mensen die onmiddellijk betrokken zijn.

DEFENSIE

Sinds nu ongeveer twee jaar pleit onze groep voor een duurzame visie voor Defensie en het heeft daar een federaal strijdplan voor opgesteld. Dit jaar is het uur van de actie gekomen. 

Hiervoor moet de syndicale actie toegespitst worden op drie basisprincipes van de duurzame ontwikkeling: het sociaal aspect door de verdediging van de belangen van het personeel, het economisch aspect dat onmisbaar is om duurzaamheid van de ondernemingen te verzekeren, evenals het respect voor het milieu. Die drie principes moeten niet concurreren, maar moeten opgevat worden als deel uitmakend van één geheel. Ze vinden elkaar aldus concreet terug in ieder van de drie volgende assen; assen die de voornaamste actiegebieden binnen Defensie vertegenwoordigen voor onze groep:

  • De belangrijkheid van het welzijn om de gezondheid en de veiligheid van het personeel te bevorderen.
  • De versterking van de operationele efficiëntie om de ontwikkeling en de modernisering van de structuur te bevorderen.
  • Het belang van het participatief beheer om de uitoefeningsvoorwaarden van de syndicale rechten te bevorderen.

Zo is de weg voor het syndicalisme helemaal uitgestippeld….

1e as: Welzijn van het personeel

  • Erkenning van de geleverde inspanningen en van het doorstane leed :

Het leven van een personeelslid van Defensie houdt risico’s in, tijdens operaties of tijdens de beroepsactiviteiten in het kwartier. Ze mogen noch geminimaliseerd, noch miskend worden! Het beleid eigen aan het welzijn binnen Defensie is vrij recent en gaat slechts een tiental jaar terug. Welnu, we mogen dit aspect niet verwaarlozen want het is primordiaal dat alle personeelsleden zich kunnen bewegen in een veilige werkomgeving met het gevoel degelijk beschermd te zijn.
Ondanks deze laattijdige bewustwording moeten we vaststellen dat ze niet voldoende is en we betreuren dit bij tragische gebeurtenissen.
Gelet op het gevaar (in sommige gevallen) en de moeilijkheidsgraad van de activiteiten binnen Defensie, zouden risico-analyses van de werkomstandigheden, maar eveneens van de projecten moeten uitgevoerd worden.
De preventiemaatregelen die door Defensie worden voorgesteld of nog, de termijn waarbinnen bijkomende risico- analyses zullen uitgevoerd worden op lokaal niveau, moeten eveneens bijzondere aandacht verdienen.

Het is bovendien noodzakelijk dat de gezondheid van het geheel van het personeel van Defensie wordt opgevolgd. Deze personeelsleden moeten tijdens hun hele loopbaan regelmatig op de arbeidsgeneeskunde kunnen beroep doen. Daarbij moeten we ons de vraag stellen of  het werkelijk onmogelijk is om de aanwezigheid van bepaalde indicatoren van onbehagen op te sporen of nog, de opvolging van het personeel te verbeteren om te vermijden dat zich dramatische gebeurtenissen voordoen?
Diepgaande studies over overlijdens, zelfmoorden en ziektes binnen Defensie zouden ons toelaten om het reële aantal slachtoffers te kennen, maar ook om maximaal de oorsprong en de oorzaken te begrijpen.

  • Gendergelijkheid:

De verscheidenheid heeft betrekking op alle mogelijke verschillen. Ze wordt geïnspireerd door de meerwaarde die gecreëerd wordt door die verschillen. Dit impliceert niet alleen de aanvaarding van de verschillen tussen groepen maar eveneens tussen individu’s. Het gaat aldus om het scheppen van een werkomgeving waarin alle medewerkers de gelegenheid krijgen om zich te ontplooien en zodoende om ieders potentieel te gebruiken.
Het is essentieel dat alle categorieën die bij Defensie werkzaam zijn, in aanmerking worden genomen: hetzij verschillen die te maken hebben met de filosofische overtuiging, de afkomst of de seksuele voorkeur. Ook de zieken, de ouderen, gehandicapten en de militairen van « vóór 2000 » (zwakkere werknemers) en de syndicale afgevaardigden die zich in die structuur inzetten.

Defensie zou zich moeten toeleggen op het meer actief promoten van de verscheidenheid. Door het aanvaarden van ieders verschillen, door zich aan te passen aan methodes die eigen zijn aan ieder individu-type, zouden we een echte sociale hefboom kunnen realiseren opdat allen gelijke kansen krijgen om er te komen.

2e as: Operationele efficiëntie

  • Adequaat beheer van de bevoegdheden:

We bezitten hoog gekwalificeerde medewerkers, met specifieke specialisaties die bijzondere functies bekleden. Met hen goede resultaten bereiken zal enkel met goede coherente beheermethodes kunnen gewaarborgd worden. Het zou dus noodzakelijk zijn dat men kan rekenen op een ontwikkeling van het intern beheer binnen Defensie dat adequate oplossingen zou bieden voor de diverse vastgestelde hindernissen die schadelijk zijn voor de werking van de Krijgsmacht.

  • Aanpassing aan de huidige maatschappij

Het is eveneens essentieel dat men zich toelegt op de rekrutering en de opleiding van de jongeren. Wat ontbreekt in de structuur is de niet-evolutie binnen Defensie; de nieuwe generatie is die van 50 jaar geleden niet, de wereld is veranderd evenals de gedragingen en de gewoonten.
De uitdaging zit in het beheer van het onthaal van de nieuwe rekruten, evenals in de gegeven opleidingen die, over een minder lange periode, een snellere beschikbaarheid en uitoefening van een functie mogelijk maken.
Door de opleidingstijd in te korten zonder aan de kwaliteit ervan te raken, zou de overbodigheid van sommige modules, wat tegenwoordig het geval is, vermeden worden. Maar ook de frequentie van rekrutering: om de drie maanden zien we oppensioenstellingen, wat logischerwijs de effectieven binnen de structuur vermindert. De wervingen binnen Defensie met twee vermenigvuldigen zou een te overwegen optie zijn en zou ons toelaten om naar een beter evenwicht te streven.

3e as: Participatief beheer

  • Systematische terbeschikkingstelling van de nodige en adequate middelen voor de syndicale afvaardigingen:

Talrijke goede intentieverklaringen, beloftes tot engagementen en veelvuldige richtlijnen waarvan de uitvoering, meestal, dode letter blijft, worden verklaard door   een gebrek aan middelen of door een evidente kwade wil.
Onze organisatie spant zich dagelijks in om het wederkerigheidsprincipe na te leven: we doen wat we van de werkgever Defensie vragen, we blijven coherent en transparant in onze beslissingen en in onze daden en dit, wat er ook gebeurd is, gebeurt of in de toekomst zal gebeuren. Principe waarvan de toepassing voor Defensie gunstig zou uitvallen.

  • Recht op informatie:

Transparantie in de acties die ondernomen worden tegenover de veelvuldige en verscheidene onderdelen die Defensie samenstellen is noodzakelijk.
Het blijkt onmisbaar dat de waarden die binnen de organisatie zijn bepaald, worden gerespecteerd, en dat een reële wil aan de dag wordt gelegd om de syndicale afvaardigingen als belanghebbende partij in het dagelijks beheer van Defensie te betrekken.

POLITIE

Voor het VSOA zijn de punten die hieronder zijn opgenomen primordiaal:
Een baremieke herwaardering van de politiesector, minstens voor de laagste schalen. De politiesector, alle categorieën samen, heeft geen baremieke herwaardering gekend sinds 15 jaar. Het is van het grootste belang dat de sector aantrekkelijk gemaakt wordt, zeker voor het operationeel korps, gelet op de gevolgen van de leeftijdspiramide die zich vooral in de loop van de komende legislatuur zullen laten voelen.

Een onderhandelde oplossing van het Copernicus-probleem: men kan geen beslissing van Justitie afwachten die ongunstig zou zijn voor de Staat en die een enorm budgettair onevenwicht zou creëren niet alleen voor het ministerie van binnenlandse zaken, maar ook voor de Staat in geheel. Het is beter dat de partijen van de toekomstige meerderheid onder elkaar afstemmen voor een onderhandelde oplossing.

Een waarborg voor het behoud van de vrijstelling “pensioen/voorkeursleeftijd” voor de politiesector, want de penibiliteit van het werk hoeft niet bewezen te worden en ze rechtvaardigt dat de leden van het operationeel personeel in de politiesector vrijgesteld worden van de algemene voorwaarden (en van iedere wijziging die zich in de toekomst zou kunnen voordoen).

De instelling van een overgangsmaatregel voor zo wat 2.500 personen uit het operationeel kader die niet genieten van het criterium “pensioen/voorkeursleeftijd” in hun oud statuut, en die aldus niet vrijgesteld worden zoals hun collega’s. We denken aan een verlof voorafgaand aan het pensioen (van 60 tot 62 jaar) met 85% van het bruto loon, want die personen worden evenzeer als hun collega’s geconfronteerd met de penibiliteit van het werk.
Een werkelijk efficiëntere politiedienstverlening aan de bevolking:

  • Door de herziening van de KUL-norm
  • Door de waarborg van de reële voldoening aan de functionele norm;
  • Door de instelling van een informaticasysteem dat gemeenschappelijk is voor alle politielieden;
  • Door de volledige afwerking, hierin begrepen het luik “justitie en sancties”, van het dossier “geweld tegen politiemensen” binnen de reële filosofie die eraan moet gegeven worden.

De instelling van en de waarborg voor het behoud van een stevige en bekwame inkadering voor de collega’s in de eerste lijn. We stellen inderdaad vast dat hoe langer hoe meer jonge collega’s samen in dienst worden gepland, terwijl ze beiden samen amper één jaar ervaring tellen, zonder dat ze in hun nabijheid een lid uit het basiskader hebben of beter nog een lid uit het middenkader dat hen kan bij staan met zijn kennis en zijn ervaring. Het is duidelijk dat deze laatsten evenzeer moeten genieten van de omkadering door officieren, die men enkel nog ‘s nachts en tijdens weekends op terrein ziet, veel te vaak in het kader van een controlefilosofie maar niet met de focus gericht op bijstand en ondersteuning. Men zou het Nederlands voorbeeld kunnen volgen, waar ieder lid uit het (hoger) kader ieder jaar een minimum aan dienst in eerste lijn moet presteren als vaststellingsagent.

OVERHEIDSBEDRIJVEN

BELGACOM

Het VSOA, Groep Belgacom, wenst het totaal ontspoord financieel beleid, dat over de laatste jaren gevoerd werd, aan de kaak te stellen. Enerzijds vraagt de Staat van Belgacom dat een onberispelijke dienst aan de klanten wordt geleverd, anderzijds dwingt dezelfde staat het Bedrijf om ieder jaar een dividend te storten, waarvan de omvang het investeringsbeleid in gevaar brengt, wat op korte termijn een totaal negatieve invloed dreigt te hebben, niet alleen op de geschiktheid van het bedrijf om die dienst te verzekeren, maar ook op de personeelsleden van Belgacom, waarvan het aantal met de helft werd verminderd de voorbije 20-jaar!
Als aandeelhouder met 53,51 % van de aandelen, is het de hoogste tijd dat de Staat zich er rekenschap van geeft dat het financieel beleid dat tot nog toe werd gevoerd, dreigt om zware gevolgen te hebben indien op diezelfde weg verder zou gegaan worden.

Alhoewel de positie die door de Raad van Bestuur in februari jl. in dit verband werd ingenomen en die het beperken van de dividenden in de komende jaren beoogt, ons enigszins geruststelt, eisen we dat de Staat voortaan op dat gebied realisme aan de dag legt en ophoudt met het dwingen van een autonoom overheidsbedrijf om de eigen kas leeg te maken om de staatskas te spekken.

Zoals hierboven reeds vermeld, is het aantal personeelsleden over de jaren blijven verminderen. Die aderlating moet ophouden! Ondanks de opeenvolging van een onwaarschijnlijk aantal herstructureringen / reorganisaties sinds 1991, hebben die personeelsleden tot nu toe enorm veel geduld en goede wil getoond – dit wordt overvloedig bewezen door de resultaten van het Bedrijf – maar bepaalde grenzen mogen niet overschreden worden. In sommige activiteitensectoren van Belgacom zijn die grenzen bereikt en het zou dodelijk zijn om nog verder te gaan: het zou onvermijdelijk een negatieve impact op de resultaten hebben, maar eveneens op de verplichtingen van het bedrijf tegenover haar klanten. We nodigen de regering uit om  de prestaties van de werknemers op hun juiste waarde te schatten, hen daarvoor te belonen en na te denken over de manier waarop hun betrekking kan gewaarborgd worden.  Zij hebben het tenslotte mogelijk gemaakt dat zulke fenomenale en buitengewone dividenden konden gestort worden, niettegenstaande de risico’s die het Bedrijf hierdoor heeft gelopen. En nochtans is Belgacom, aldus beroofd van een deel van zijn investeringscapaciteit, die nodig is om het hoofd te bieden aan de tomeloze concurrentie die op het vlak van de telecommunicatie heerst, geslaagd in deze uitdaging! Maar als men de citroen herhaaldelijk uitperst, blijft er geen sap meer over en kan men alleen nog naar de pitten tellen.
Ten slotte blijft het VSOA, Groep Belgacom, zich verzetten tegen iedere vorm van verdere privatisering van Belgacom! Niet alleen hebben het Bedrijf en zijn personeel bewezen dat ze naar wens flexibel kunnen zijn, maar zoals vermeld, hebben ze reeds zoveel bijgedragen tot de verbetering van de staatsfinanciën en blijven zij bereid om dit verder te doen, op voorwaarde dat het gebeurt op een doordachte manier die hun gemeenschappelijke toekomst niet in gevaar brengt. Verkopen kan slechts één maal! Belgacom brengt zijn financiële hulp aan de Staat onder de vorm van dividenden en bedrijfsbelastingen sinds 1991!

Men mag ook de impact van Europa niet vergeten voor de maatregelen die pijn doen bij Belgacom: beperkte duur van de contracten, vrije concurrentie, afschaffing van de roaming, … Wat moeten we nog verwachten!?
Heren politici, bezin vooraleer u beslist!

Waarheid en efficiëntie zullen beter samengaan!

BPOST

In een omgeving van dalende volumes wordt het zeer moeilijk om brieven aan een aanvaardbare prijs te blijven bedelen, zeker wanneer het aantal spelers op de markt verder blijft toenemen.
Daarentegen wordt de overblijvende geadresseerde briefwisseling steeds belangrijker.
Jimmy Carter, ex- president van de Verenigde Staten verklaarde onlangs dat hij voor belangrijke zaken afziet van internet wegens het gebrek aan veiligheid.
Net daarom is het belangrijk dat de brievenpost in handen is van één controleerbare kwaliteitsvolle dienst die een garantie biedt op het respecteren van het briefgeheim.
Net daarom, en omwille van de sociale opdracht die de traditionele postbode nog altijd vervult, pleiten wij voor het versterken van de overheidsopdracht voor Bpost en het behoud ervan binnen de openbare sector.

Tegelijk dringen wij er op aan dat de beleidsmensen, elk op hun niveau, zorgen voor een “social level playing field” dat ervoor zorgt dat de werkende mensen niet in armoede terecht komen. Het uitvoeren van een distributie van kranten, pakjes en brieven hoort te gebeuren door werknemers met een arbeidsovereenkomst en niet door (schijn)zelfstandigen.
Vooral indien men die (schijn)zelfstandigen dan nog een minimum betaalt voor het uitvoeren van deze taken, voert men valse concurrentie, en stort men deze mensen in de armoede, soms al onmiddellijk, maar zeker op latere leeftijd.

Ter vrijwaring van de persvrijheid en in het kader van het Algemeen Belang, dient de regering garant te staan voor een dagbladuitreiking over het gehele grondgebied van het land, en voor alle bewoners van het rijk,  tegen democratische prijzen, toegankelijk voor alle uitgevers. Daarom is het belangrijk dat deze taak aan één operator wordt toegewezen om zodoende een gelijke prijs voor het hele land te kunnen garanderen. Wie kan dat beter dan Bpost.

Een onafhankelijke openbare dienstverlening kan slechts gegarandeerd worden door politiek onafhankelijke beëdigde ambtenaren. Het afbouwen van het aantal functies die deze onafhankelijkheid garanderen, zal leiden tot willekeur en verlies aan kwaliteit. Ook in statuten zijn de nodige tools voorzien om garanties te bieden dat een werknemer een zekere productiviteit, loyauteit en kwaliteit biedt. Het grote verloop dat er heerst bij niet statutair personeel zal juist leiden tot minder stabiliteit, minder kwaliteit en meer misnoegdheid vanwege de werknemer, maar ook en vooral vanwege de burger.
De regering dient erover te waken dat elke gemeente minstens één postkantoor behoudt waar, naast een basisassortiment, ook een basisbankdienst wordt voorzien ten behoeve van alle inwoners.

Het VSOA groep post wil dat het comité autonome overheidsbedrijven nieuw leven in geblazen wordt en dat ook onze organisatie er volwaardig in vertegenwoordigd wordt.

Algemeen is geweten dat nachtwerk belastend is voor de gezondheid.
De levensverwachting is lager en er zijn meerdere gezondheidsrisico’s verbonden aan nachtwerk. Meerdere studies wijzen in dezelfde richting. Daarom vragen wij extra aandacht voor deze werknemerscategorie en in het bijzonder, gezien hun levensverwachting merkelijk lager ligt dan gemiddeld, een preferentiële tantième voor het vaststellen van hun pensioen.

NMBS

Hierna de eisen van de groep Spoor van het VSOA voor de volgende legislatuur:

  • De eenheid van het bedrijf handhaven en zijn middelen versterken om het hoofd te bieden aan de steeds groeiende vraag uit de verschillende segmenten van de samenleving (reizigers en goederen);
  • Het VSOA is tegen de instelling van een minimale dienst, maar is voor een kwaliteitvolle dienstverlening. Het openbaar Belgisch spoor moet een offensieve houding aannemen om nieuwe markten te veroveren;
  • Een strikt beheerscontract invoeren met waarborgen voor het verwezenlijken van objectieven, dat kan opgelegd worden aan de nieuwe maatschappijen Infrabel en NMBS evenals aan hun gemeenschappelijke entiteit HR Rail om de opdrachten van de openbare dienst te vrijwaren;
  • Het huidig statutair stelsel handhaven voor de gevestigde agenten en voor degenen die in de toekomst door de maatschappijen zullen aangeworven worden, waar de contractuele betrekkingen de uitzondering moeten blijven;
  • Terugkeren naar een geïntegreerde spoorwegmaatschappij met eerbied voor de Europese regels;
  • De liberalisering van het binnenvervoer van reizigers verwerpen, dat synoniem zal zijn van sociale achteruitgang;
  • Aan de nieuwe NMBS de middelen bezorgen om een ambitieus mobiliteitsplan in te stellen, dat zo nauw mogelijk aan de verwachtingen van haar klanten beantwoordt;
  • De instelling van het GEN bespoedigen;
  • Opnieuw investeren in de installaties voor het goederenvervoer om aantrekkelijke alternatieven voor de weg voor te stellen;
  • De referentie zijn inzake de milieubescherming, wat een zacht mobiliteitsbeleid impliceert, dat voorrang geeft aan het openbaar vervoer, waaronder o.a. de spoorwegsector.
DE GEWESTEN

BRUSSEL

Lokale en regionale besturen.

Evolutie van het Sociaal Charter.De ordonnantie van maart 2014 tot wijziging van de Nieuwe gemeentewet werd ondertekend door de Brusselse ministers.
Indien we de mogelijkheid kunnen aanvaarden om een einde te stellen aan het werkverband van een statutaire beambte, voor zover hij het voorwerp uitmaakt van twee opeenvolgende ongunstige evaluaties, is het primordiaal dat de kamer van beroep volledig onafhankelijk is. In de huidige stand van zaken heeft de gemeentesecretaris een beslissende stem. We verzoeken om de bevoegdheid van een onafhankelijke rechter.

Onze positie zal identiek zijn voor de openbare ziekenhuizen in Brussel (Iris-netwerk), het nieuwe reglement over de opzeg van het statutair personeel voorziet dat enkel de Algemeen Directeur het beslissingsrecht heeft, na advies van de interne beroepscommissie. We verwerpen deze toepassing.

De opleiding blijft de primordiale doelstelling in het goed beheer van het personeel evenals de instelling van een interne mobiliteit.
We kunnen niet akkoord gaan met de mogelijkheid dat alle functies worden opengesteld voor rekrutering en promotie. Dit zou elke hoop op een perspectief van evolutie in de loopbaan bij een beambte in functie vernietigen.
Tot slot, verzetten we ons tegen de praktijk die de gemeenteraad zou toelaten om te eisen dat bij iedere vaste benoeming van de gemeentepersoneelsleden de betrokkenen hun effectief woonverblijf op het gemeentelijk grondgebied hebben. Die beslissing zou totaal onwettelijk zijn gelet op de rechtspraak van de Raad van State en van het Europees Hof.

We blijven ervan overtuigd dat de financiële activatoren met het oog op het begunstigen van de statutarisering een middel blijven om de duurzaamheid van het pensioenensysteem van de ambtenaren te waarborgen.
Alhoewel de financiële draagkracht van de lokale overheden zwaar werd aangetast door de crisis, moet men niet afzien van een herziening van de barema’s van sommige personeelscategorieën, en een analyse over de spanningen tussen de verschillende loonschalen is ook niet te verwaarlozen.
Onze organisatie hoopt dat de overheid bereid zal zijn om een aantal amendementen te ondersteunen.

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Inleiding
Brussel, geweststad, internationaal een kruispuntgewest, en een institutioneel en administratief centrum evenals een havenstad.

Vaststelling
De socio-economische toestand van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijft moeilijk. De openbare dienst is het instrument bij uitstek van het regeringsbeleid.

De prioriteiten bepalen
Voor het VSOA Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het essentieel dat de Regering van het Gewest prioriteiten kan bepalen en zich kan verbinden tot het voeren van een beleid ten gunste van het regionaal openbaar ambt, dat zich niet tevreden stelt met een simplistische en zuiver budgettaire visie. Er is nood aan een efficiënt beheer van het openbaar ambt.

De overheid moet een aantrekkelijke werkgever zijn, die kwaliteit in de werkvoorwaarden, bekwaamheid, efficiëntie als doel heeft.

Het VSOA Brussels Hoofdstedelijk Gewest pleit ook voor een grotere transparantie, verantwoording en vereenvoudiging van de administratieve daden van de overheid met het oog op een grotere billijkheid en een betere toegankelijkheid van het openbaar ambt en de loopbaan.
De ontwikkeling van de extremismen, wat ook hun tendensen mogen zijn, blijft zorgwekkend.
Voor het VSOA Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn de extremismen een bedreiging van de democratie en van de individuele vrijheden. Het extremisme op efficiënte wijze bestrijden vereist eveneens dat men vooral de oorzaken ervan aanpakt.
De bijzondere multiculturele dimensie van het Gewest impliceert een specifieke aandacht voor de vragen die gelinkt zijn aan de aanwezigheid van bevolkingsgroepen van verscheidene herkomst. Een open en niet-discriminerend beleid voor integratie moet bijdragen tot het geven van het volle burgerschap aan iedere bewoner van het Gewest.
Het regionaal openbaar ambt moet bijdragen tot dit beleid door de neutraliteit ervan en het respect voor iedereen te verdedigen.

Het overleg
De laatste legislatuur heeft de betrekkingen tussen de vakorganisaties en de overheden van het Gewest zien verslechten. Het geheel van de dossiers dat ter onderhandeling werd voorgelegd, heeft slechts geleid tot het aanzetten van machtsverhoudingen waar de discussies door politieke dictaten worden vervangen en die de beambten demotiveren, aanleiding geven tot diverse administratieve beroepen en die de organieke kaders (aantal beambten) en de dienst aan de bevolking doen verminderen.
Het VSOA vraagt dat van in het begin van de nieuwe legislatuur de struikelstenen over de periode 2009-2014 worden geëvalueerd en dat nieuw overleg, dat toelaat om nieuwe pistes voor het openbaar ambt te openen, geconcretiseerd wordt, zowel op het gebied van welzijn als op dat van de kwaliteit en de kwantiteit van de tewerkstelling.
Het VSOA vraagt, eens en voor altijd, dat de politieke wereld ophoudt met het afbreken van de administraties, de beambten, en het leiden tot een politisering van de openbare diensten op alle niveaus. Als die politisering het electoraat stabiliseert, dan weegt ze en is ze een hinder op het goed functioneren van de administratie. De doelstelling van die depolitisering moet toelaten, behalve opnieuw vertrouwen te geven aan de werknemers, bekwaamheid en efficiëntie waarde te geven.

De opleiding
De instelling van de opleidingen vóór het aan het werk zetten van nieuwe werknemers moet de regel worden. 

Mobiliteit
De politieke verantwoordelijken moeten de mobiliteit en de verplaatsingen in Brussel verbeteren.
De huidige toestand werkt vervuiling, overlast, stress en onveiligheid in de hand evenals een uittocht van de bewoners naar de randgebieden, het zoeken naar een aangenamer leefmilieu, en bijgevolg een stijgende vermeerdering van het aantal pendelaars. De vraag over de mobiliteit kan zich nochtans niet alleen beperken tot de problematiek van de pendelaars. De binnenbrusselse mobiliteit, in dienst van de Brusselaars, moet wezenlijk in overweging worden genomen. Het probleem van de mobiliteit in Brussel kan eveneens opgelost worden door:

  • Het meer gebruiken van het openbaar vervoer (onder andere door de integrale terugbetaling van de vervoerkosten woonplaats-werkplaats met voorkeur voor het openbaar vervoer),
  • Een verbetering van het netwerk van het openbaar vervoer (verhoging van de commerciële snelheid, van het comfort, van de veiligheid)
  • Het aanleggen van de weginfrastructuur (en onder andere van veiligere fietspaden en trottoirs)

VLAANDEREN

Vlaams Gewest

Ter attentie van de federale regering

  • Prioritaire aanpak anomalieën pensioenregeling (bv. Ziekteverlof aanpassen i.f.v langer werken, ....)

Ter attentie van de regionale regering

  • Een betaalbare gezondheidszorg voor ouderen waarborgen door het in stand houden van de openbare sector en het openbaar ambt blijven garanderen.
  • Aanpassen van diverse regelingen i.f.v het langer werken.
  • Garanties voor het behoud van het werk voor personeelsleden die worden getroffen door een ernstige en langdurige ziekte (statutairen).
  • Regelingen treffen inzake zware beroepen en de langere loopbaan die men nu moet doen.

ONDERWIJS

10 krachtlijnen voor de volgende Vlaamse Regering

Inleiding

Onze maatschappij wordt gekenmerkt door een continu proces van ontwikkeling en evolutie. Als syndicale organisatie heeft het VSOA Onderwijs dan ook de plicht deze ontwikkelingen op de voet te volgen.
Onderwijs en vorming zijn een recht voor ieder individu en moeten ervoor zorgen dat de kloof tussen arm en rijk wordt gedicht en dat de concurrentie en de ongelijke ontwikkeling van de economie wordt gestopt. Onderwijs moet professioneel en gedreven personeel afleveren dat naar waarde wordt geschat. Enkel zo kan een goede en collectieve dienstverlening met gemotiveerd personeel worden gegarandeerd in onze steeds complexer wordende kennismaatschappij.
Een transparant, laagdrempelig en democratisch onderwijs en dit voor alle betrokken actoren (leerlingen, studenten, cursisten en onderwijspersoneel) is dan ook een conditio sine qua non voor een moderne vakorganisatie als het VSOA Onderwijs. Ons hoofddoel is en blijft de verdediging van de individuele en collectieve beroepsbelangen van al het onderwijspersoneel, het streven naar betere loon- en arbeidsvoorwaarden en het opnieuw in de spotlight plaatsen van de onderlinge solidariteit. Dit als tegengewicht voor de toename van de vervlakking en het individualisme waardoor de maatschappij van vandaag meer en meer wordt gekenmerkt.

Vlaanderen heeft als uitgesproken kennismaatschappij nood aan een transparante gelijk(e) kwaliteits-kansenonderwijs voor iedereen en dit ongeacht sociale afkomst, nationaliteit, cultuur, religie, sekse, intelligentie…  In een moderne maatschappij speelt onderwijs en vorming een cruciale rol. Een degelijke opleiding leert het individu zijn plaats in de samenleving definiëren en begrijpen om zo mee te werken aan een rechtvaardige en duurzame samenleving die respect heeft voor het individu in een collectief maatschappelijk concept.
Bovendien vindt het VSOA dat het onderwijs meer aandacht moet hebben voor zijn “core business”; namelijk: de kennisoverdracht, het lesgeven, het doceren. Dit is de laatste jaren ondergewaardeerd geraakt.
Tevens moet het onderwijs na het middelbaar, de BA programma’s en de masters veel beter aansluiting vinden met de arbeidsmarkt.

Het VSOA is zich ook bewust van het feit dat de zesde staatshervorming belangrijke budgettaire gevolgen heeft voor het onderwijs. Inderdaad, de overdracht van nieuwe bevoegdheden naar de deelstaten gaat gepaard met een inlevering van 12,5 % der middelen. Daarnaast is er de bijdrage van de deelstaten aan de federale staat voor het betalen van de overheidspensioenen.

De 10 krachtlijnen van het VSOA Onderwijs op een rij…
1. Fusie van de onderwijsnetten: GO!, gemeentelijk, stedelijk en provinciaal onderwijs

2. Geef alle kansen aan beginnende leerkrachten

3. Maak het lerarenberoep an sich aantrekkelijker!

4. Lesgeven en kennisoverdracht moet weer dé kerntaak van het onderwijs worden

5. Professioneel schoolleiderschap is een must

6. Lerarenopleiding is toe aan een refreshment 

7. Financiële hertekening van het landschap hoger onderwijs dringt zich op

8. Tweede pensioenpijler voor alle contractuele personeelsleden in het hoger onderwijs

9. Financiële middelen efficiënter aanwenden

10. Behoud van het statuut en vrijheid van onderwijs

1. Fusie van de onderwijsnetten: GO!, gemeentelijk, stedelijk en provinciaal onderwijs
Steeds meer gemeenten en steden stoten hun scholen af; de openbare financiën moeten immers snel gesaneerd worden. We moeten bijgevolg het onderwijs efficiënter gaan organiseren; bijvoorbeeld door de scholengemeenschappen te vergroten.
In deze context en in het kader van een fusie focust het VSOA Onderwijs zich voornamelijk op het middelbaar onderwijs, want daar wordt er met grotere gehelen gewerkt. Grotere scholengemeenschappen zullen tot een beter bestuur leiden. Fusies over de netten heen sluiten wij hierbij niet uit.
Het VSOA Onderwijs is voorstander van een samengaan tussen het GO!, het stedelijk/gemeentelijk en provinciaal onderwijs. Zo zouden we al komen tot twee netten! Een samengaan van deze drie netten impliceert wel dat de gemeenten een rol moeten kunnen blijven spelen in het beleid inzake het basisonderwijs dat kort bij de ouders moet staan. Inzake het middelbaar onderwijs is hier een rol weggelegd voor het intermediaire niveau van de vijf Vlaamse provincies.
Een dergelijke fusieoperatie kan een nieuwe start betekenen voor een modern publiek onderwijsnet! Uiteraard moeten de rechten van het personeel gevrijwaard blijven bij een dergelijke fusie. De onderwijsinspectie dient wel onder de bevoegdheid te blijven van de minister. Dat is ook een garantie voor een homogene en objectieve controle.

2. Geef alle kansen aan beginnende leerkrachten
Ons onderwijs wordt gekenmerkt door een grote uitstroom van beginnende leerkrachten tijdens de aanvangsjaren; meer dan 22 procent - in het secundair onderwijs zelfs meer dan 37 procent - keert binnen de vijf jaar immers het onderwijs de rug toe. Aan de basis van dit fenomeen liggen verscheidene oorzaken. Bovendien worden deze cijfers door de overheid genuanceerd door te stellen dat de retentiegraad in de andere beroepen en sectoren lager is. Dat neemt echter niet weg, dat elke leerkracht die het onderwijs verlaat er één te veel is…
VSOA Onderwijs pleit dan ook voor een contract voor onbepaalde duur voor startende leerkrachten
Het VSOA Onderwijs heeft deze problematiek, die trouwens almaar grotere vormen dreigt aan te nemen, al sedert geruime tijd en meermaals in de spotlight geplaatst.
Wij erkennen zeer zeker alle oorzaken die worden vooropgesteld; desalniettemin willen wij er toch op wijzen dat het gebrek aan werkzekerheid, meer en beter bekend als het “interimhoppen” ons inziens misschien wel de belangrijkste oorzaak is waarom startende leerkrachten het onderwijs al snel de rug toekeren.

In de wandelgangen gaat momenteel het gerucht dat bepaalde politieke partijen het idee niet ongenegen zijn om het zogenaamde “Schots model” in te voeren… Dit model impliceert dat de lerarenopleiding voortaan niet drie, maar vier jaar zou omvatten – een jaar langer dus -  waarvan het laatste jaar enkel zou bestaan uit een betaalde stage. Een “startende” leerkracht zou dan gedurende het laatste jaar van de opleiding een voltijdse betrekking aangeboden krijgen aan een verloning van 80 procent. De vraag die zich hier onvermijdelijk stelt, is: “Wat na dit “betaald” stagejaar?” Ons inziens is deze maatregel een lege doos, aangezien het probleem van het gebrek aan werkzekerheid enkel een jaar in de tijd wordt verschoven. Deze maatregel biedt dus geen adequate oplossing voor het gebrek aan werkzekerheid dat beginnende leerkrachten wegjaagt uit het onderwijs.
Vanuit dit gegeven blijven wij herhalen dat een contract voor onbepaalde duur voor iedere beginnende leerkracht een conditio sine qua non is; des te meer het TADD-systeem (opbouwen van het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur) niet alleen achterhaald is, het is daarenboven ook behoorlijk ingewikkeld en ondoorzichtig voor wie pas in het onderwijs begint.

Ondersteuning voor starters is noodzaak!
Dat naast het gebrek aan werkzekerheid ook de gevolgen van de praktijkschok een niet te miskennen oorzaak zijn voor de uitstroom is evident. Het gebrek aan ondersteuning en het soort werk dat men als beginnende leerkracht aangeboden krijgt, zijn daarvan concrete voorbeelden.
Beginners staan vaak meteen voor stevige uitdagingen: in het basisonderwijs start een kwart de loopbaan in een combinatieklas. In het secundair onderwijs is de situatie niet anders: vaak krijgen nieuwkomers de moeilijkere klassen; slechts één op de tien scholen plaatst een beginnende leraar bewust in een relatief gemakkelijke groep. Kant en klare leerkrachten die meteen op alle fronten kunnen worden ingezet, worden door de lerarenopleiding nu eenmaal niet afgeleverd. Gezien enkel praktijkervaring - zelfs stages blijven een zekere kunstmatige situatie - hét middel bij uitstek is om aan starters de mogelijkheid te geven om de “stiel” te leren, zal men op korte termijn voluit moeten inzetten op ondersteuning.

Men zal dus beginnende leerkrachten beter moeten omringen én nog meer ondersteunen. De vraag is of de overheid daar de nodige middelen wil en zal voor vrijmaken in acht nemende dat de mentoruren ter ondersteuning van starters in het onderwijs, die onder minister Vandenbroucke in het leven waren geroepen, met ingang van 1 september 2010 al te gezwind werden afgeschaft. Voor beginnende leraren is een goede begeleiding een belangrijke steun, die kan voorkomen dat ze na korte tijd het onderwijs de rug toekeren.
 
3. Maak het lerarenberoep an sich aantrekkelijker!
Het VSOA Onderwijs heeft tijdens voorbije cao-onderhandelingen resoluut ingezet op een koopkrachtverhoging voor al het onderwijspersoneel.
Desalniettemin zal het VSOA Onderwijs zich  blijven verzetten tegen iedere vorm van besparing op het loon van dat onderwijspersoneel.
Onze kinderen en jongeren van vandaag zijn de werknemers en de burgers van morgen. Een regering met toekomstvisie weet dat via onderwijs de toekomst van haar gemeenschap beveiligd wordt. Toch wordt al verschillende jaren op rij aan het onderwijsveld gevraagd om de economische crisis, die zij niet hebben veroorzaakt, mee op te lossen. De Vlaamse regering gebruikte al verschillende methoden om te besparen in onderwijs: het regelmatig niet indexeren van de meer dan noodzakelijke werkingsmiddelen, het uitstellen van beloftes, het niet structureel oplossen van bestaande dringende noden, de afschaf van de vervroegde uitstapmaatregel, de besparingen op de aanwendingspercentages waardoor het onderwijs verstoken blijft van het broodnodige personeel...

Daarnaast is er de wil van Vlaamse regering om te besparen op de loonmassa van het onderwijspersoneel.

Tegelijkertijd stellen we vast dat door de verhoogde instroom van leerlingen, de complexe maatschappelijke verwachtingen, de groeiende noden inzake diversiteit en de steeds snellere kennismaatschappij het onderwijs en de leraren zwaar onder druk staan. Minder en minder onderwijspersoneel wil zich in die omstandigheden nog inzetten voor het onderwijs. Het tekort van kwalitatief geëngageerden, is ondertussen een realiteit. Dit legt een zware hypotheek op de totale gemeenschap.
Het VSOA Onderwijs blijft dan ook pertinent het volgende vooropstellen: wij gaan akkoord met een versoepeling van de besparingen, maar gaan niet akkoord met een uitbreiding van de besparingen. Voor het VSOA Onderwijs betekent investeren in onderwijs, investeren in de toekomst. Wanneer de beleidsmensen zeggen dat Vlaanderen moet uitgroeien tot een kennismaatschappij, dan willen wij hen er nog eens op wijzen, dat onderwijs wel degelijk prioriteit verdient.
In een opiniestuk in de Nederlandse Volkskrant van een jaar of twee terug over de bezoldiging in het onderwijs lazen we dat: “Als beginnende leraren niet beter worden beloond, zal de massale uitstroom in de komende jaren niet worden goedgemaakt door nog toenemende instroom van nieuwe docenten. Een recent onderzoek van Alexander Mas leert ons, dat het aantal arrestaties afneemt en de criminaliteit toeneemt zo gauw politiepersoneel meent dat het unfair wordt beloond.”
Wanneer we dit doortrekken naar ons onderwijs, dan zouden we daaruit kunnen besluiten dat de kwaliteit in zijn geheel zal afnemen, als we beginnende leraren en eigenlijk alle leerkrachten tout court niet beter gaan belonen. Gezien de huidige economische situatie is dit niet realiseerbaar binnen het huidige budget, tenzij dat herschikt wordt.
De lokroep van de privésector zal nog aantrekkelijker worden, als de beginnende leerkracht tot de vaststelling komt, dat ook in het onderwijs de werkdruk jaar na jaar toeneemt en het werkplezier afneemt als gevolg van die werkdruk. Het enige wat dan nog rest is het uitzicht op een statutair in plaats van een contractueel statuut alsook de vakanties, die echter voor veel onderwijsmensen nu al synoniem zijn met recupereren van de voorbije stresserende werkperiode.
Leerkrachten beter belonen sensu stricto lijkt gezien de bovenvermelde inkrimping van het huidige budget voor onderwijs onmogelijk.
Desalniettemin zou men het beroep van leerkracht echter ook niet-financieel kunnen herwaarderen – lees belonen – door het beroep an sich aantrekkelijker te maken. De werkdruk verminderen zou al een eerste stap in de goede richting zijn; weer werkplezier creëren een volgende. Tot onze grote treurnis hebben wij echter moeten vaststellen, dat het met veel poeha aangekondigde loopbaandebat voor de vorige Vlaamse Regering toch niet zo prioritair was als ze aanvankelijk heeft laten uitschijnen. VSOA Onderwijs hoopt dan ook dat de volgende Vlaamse Regering wél werk zal maken van dit loopbaandebat. Aan pseudo-debatten met het oog op de aanloop naar de moeder der verkiezingen heeft onderwijzend Vlaanderen geen behoefte.
 
4. Lesgeven en kennisoverdracht moet weer dé kerntaak van het onderwijs worden
Leerkrachten klagen over te veel administratieve tijdsverspilling. Administratie is een almaar groter wordend probleem in de onderwijswereld. Er zijn niet alleen te veel reglementen, maar die worden daarenboven al te vaak gewijzigd.
Onderwijs zit in een vicieuze cirkel. Het moet dringend herbronnen en back to the basics gaan.
De leerkracht is een ambtenaar geworden die lijdt aan het “aanvinksyndroom” wat nadelige gevolgen heeft voor het peil van het lesgeven. Dat blijkt eveneens en overduidelijk uit de actuele uitstroom van beginnende leerkrachten uit het onderwijs waar men de administratieve planlast als één van de hoofdredenen geeft voor die uitstroom..
De corebusiness van ons onderwijs moet opnieuw het lesgeven worden waarbij kennisoverdracht centraal staat.  Een constante verandering van de regelgeving is nefast en wordt onhanteerbaar voor wie het moet uitvoeren. Een grote opkuis in de onderwijsreglementering dringt zich dan ook op.
Ook de directie kan hierin een cruciale rol spelen. Een “goede leerkracht” is voor velen onder hen iemand die met de paperassen in orde is en vaak vragen zij veel meer dan decretaal werd vastgelegd... Ook de doorlichtingsinspectie focust meer dan goed is op het  administratieve luik. Aan deze evolutie moet dringend een halt worden toegeroepen.
In deze mag aan de factor “zorg” in het onderwijs ook niet voorbij gegaan worden. Voor alle duidelijkheid; het VSOA Onderwijs heeft zich nooit gekant tegen de stelling dat kinderen met een beperking gemakkelijker hun weg moeten vinden naar de “gewone” school. Dit is een doelstelling die niemand ongenegen kan zijn. Het VSOA Onderwijs stelt die doelstelling dan ook niet in vraag… Desalniettemin is het VSOA Onderwijs de mening toegedaan dat zolang het onderwijspersoneel onvoldoende ondersteund is en niet genoeg kan rekenen op voldoende omkadering en er door de Vlaamse Regering niet voldoende financiële middelen voorzien worden voor de praktische uitvoering dit geen haalbare doelstelling is. Bovendien mag ze ook niet ten koste gaan van de onderwijskwaliteit an sich.
De bovenvermelde vaststellingen gelden ook voor het hoger- en universitair onderwijs. Ook daar is er te veel administratie met interne alsook externe regelgeving. Het doceren en de kennisoverdracht moet opnieuw de prioriteit krijgen.

5. Professioneel schoolleiderschap is een must
Een duurzame en welvarende toekomst kan niet gerealiseerd worden zonder goed onderwijs.
Om kwaliteitsvol onderwijs te kunnen verstrekken, moet men in de eerste plaats kunnen rekenen op goed opgeleid en professioneel onderwijspersoneel; in het bijzonder op goede leerkrachten, maar evenzeer op goede directies…
Het hoeft geen betoog dat de maatschappelijke opdrachten die vandaag al op de schouders van een school rusten in de toekomst nog dreigen toe te nemen. Die toename is dan ook recht evenredig met de verzwaring én uitbreiding van de taak van een directie. Het staat buiten kijf dat een directie een vooraanstaande rol speelt in het schoolgebeuren en in de onderwijskwaliteit die de school verstrekt.
Zo moet ze niet alleen instaan voor een optimale werksfeer onder het personeel en voor het coördineren en beheren van de schoolorganisatie; ze moet er tegelijkertijd ook voor zorgen dat het pedagogisch en opvoedingsproject van de school jaar na jaar wordt gerealiseerd. Dit vraagt heel wat kwaliteiten en bijzondere competenties waarop een lerarenopleiding in se niet voorbereidt.
Het is echter een noodzaak dat directies over die competenties beschikken om hun functie adequaat te kunnen uitoefenen. Daarom is – na een voorafgaande screening op basis van een competentieprofiel - een degelijke opleiding voor een directie in spe een voorwaarde.
Die opleiding moet een overkoepelend karakter hebben en mag zich niet enkel toespitsen op het administratieve, maar evenzeer op het pedagogische. Het idee van een directie per vakgebied zijn wij allerminst ongenegen (specifieke directies bij schaalvergroting zoals: personeels-, financieel-, pedagogische directie).
Het spreekt bovendien voor zich dat een continue professionaliseringstraject voor directies in functie deel moet uitmaken van hun opdracht. Gezien de graad van verantwoordelijkheid ligt het dan ook voor de hand, dat de volgende Vlaamse Regering een financiële herwaardering van de directiefunctie vooropstelt.
Ook pleiten wij voor een evaluatie van de directies door het personeel; een zogenaamde 360° evaluatie.

6. Lerarenopleiding is toe aan een refreshment
De lerarenopleiding moet herbekeken worden en is toe aan een refreshment. Dit met het oog op het afleveren van professionals die van meet af aan en dus in eerste instantie voor de opleiding hebben gekozen en ook het lerarenberoep effectief willen uitoefenen.
Momenteel zijn de opleidingen voor kleuteronderwijzer en leerkracht lager en secundair onderwijs gescheiden. Dit heeft als repercussie dat de dualiteit tussen onderwijzer, regent en licentiaat in stand wordt gehouden... De vraag stelt zich dan onvermijdelijk of het regentaat nog zin heeft - een discussie die gekoppeld is aan de indeling van de studiejaren – en of men beter niet opteert voor twee opleidingen nl. een opleiding voor leerkracht basisonderwijs en een opleiding voor leerkracht secundair onderwijs
De opleiding zélf moet zeker professioneler worden. Voor de licentiaten is er trouwens nooit een echte opleiding uitgebouwd. Momenten van zelfevaluatie moeten ingebouwd worden in de loop van een lerarencarrière. Daarbij zou men op bepaalde momenten ervoor moeten kunnen kiezen iets anders te gaan doen of de mogelijkheid hebben om de loopbaan te heroriënteren. De mobiliteit moet vergroten.
De opleiding van directies is een ander heikel punt. Van hen worden echte managerskwaliteiten gevraagd om vandaag nog een school te kunnen leiden. Ook aan dat facet moet tijdens de lerarenopleiding al aandacht worden besteed.

7. Financiële hertekening van het landschap hoger onderwijs dringt zich op
Tijdens de vorige legislatuur zijn verschillende maatregelen in voege gekomen die ernstige verschuivingen teweeg hebben gebracht en nog zullen teweegbrengen in het hoger onderwijslandschap. Zo heeft het integratiedecreet aanleiding gegeven tot fusieoperaties van de hogescholen waardoor zij hun studentenaantallen ingrijpend zagen dalen als gevolg van dat integratiedecreet. Het HBO5-decreet zal dan op zijn beurt zorgen voor een vermoedelijk instroom. Dergelijke ingrepen hebben natuurlijk personeelsimplicaties. Deze implicaties werden zo goed als mogelijk ingeschat en waar mogelijk heeft de decreetgever getracht een sociaal passief te vermijden. Het is momenteel echter nog onmogelijk alle gevolgen van deze verschuivingen in te schatten. Bijsturingen kunnen zich opdringen tijdens de volgende legislatuur. Het VSOA Onderwijs roept de volgende regering dan ook op om alles van nabij te volgen en waar nodig in te grijpen, zodat er geen negatieve consequenties zijn voor het personeel dat er trouwens alles aan doet om deze veranderingen tot een goed einde te brengen.

Ingrijpen in het financieringsmodel van het hoger onderwijs is aan de orde
De gesloten enveloppe van het hoger onderwijs creëert een concurrentieel model waarbinnen de onderwijsverstrekkers genoodzaakt zijn zoveel mogelijk studenten te lokken en bijkomend voor de universiteiten onderzoeksresultaten te publiceren. Wil men financieel niet gestraft worden dan moet men evenveel stijgen als de concurrentie. Het hoeft geen verdere uitleg dat dit model extra druk legt op het personeel. De onophoudelijke druk om meer te doen met evenveel middelen wordt stilaan onhoudbaar in het werkveld.
Daarnaast geeft dit model in combinatie met de uitstroomfinanciering aanleiding tot een mogelijke inflatie van onze diploma’s. Studenten niet laten slagen, wordt financieel gestraft. Deze gevolgen laten zich des te meer voelen binnen de gesloten enveloppe. Een grondige evaluatie van het financieringsmodel en een bevraging van het werkveld dringt zich op.

Financiële onafhankelijkheid van de School of Arts binnen de hogeschool
Het was de intentie van de decreetgever om van de School of Arts een onderwijskundig autonome instelling te maken binnen de hogeschool. De praktijk leert echter dat onderwijskundige autonomie nauw verbonden is met financiële autonomie. Sommige School of Arts lopen het risico op een onderfinanciering vanuit de hogeschool wegens het doorrekenen van overdreven kosten op vlak van infrastructuur en administratie. Een kleuring van de middelen is noodzakelijk om de financiële autonomie van de School of Arts te garanderen en op die manier de onderwijskundige autonomie te ondersteunen.
Naast deze autonomie moet er dringend werk gemaakt worden van het afschaffen van de artistieke weddeschalen. Het is niet meer van deze tijd dat het onderwijzend personeel in een artistieke richting minder verdient dan de collega in een niet artistieke richting. De werklast in het hoger onderwijs is in die mate toegenomen dat onbeperkt cumuleren niet langer aan de orde is. Het is hiervoor noodzakelijk de financiering te herzien; de hogescholen kunnen dit niet realiseren zonder extra middelen.

8. Een tweede pensioenpijler voor alle contractuele personeelsleden in het hoger onderwijs
Universiteiten moeten voor hun financiering in toenemende mate een beroep doen op andere geldstromen dan de vaste werkingstoelage die hun door de overheid ter beschikking wordt gesteld. Daarnaast wordt de druk op het produceren van kwaliteitsvolle onderzoeksoutput en het aantrekken van onderzoeksgelden steeds groter omwille van de competitieve mechanismen die in het financieringsmodel zijn ingebouwd. Hiervoor doen de instellingen en bij uitbreiding de maatschappij gretig beroep op een korps van gemotiveerd onderzoekspersoneel dat qua aandeel in de totale personeelsformaties steeds aan belang toeneemt.

Veel personeelsleden in het hoger onderwijs worden contractueel aangeworven en hebben geen uitzicht op een vaste, statutaire betrekking. Dit is het geval voor het merendeel van de onderzoekers aangezien het aantal beschikbare ZAP mandaten ontoereikend is.

Zelfs indien een onderzoeker later naar het ZAP kan doorstromen wordt hij of zij geconfronteerd met een gemengde loopbaan, aangezien de jaren gepresteerd als contractueel onderzoeker niet meetellen voor de berekening van het ambtenarenpensioen.
Voor contractuele onderzoekers wordt bovendien, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, geen tweede pensioenpijler voorzien. Dit is tegenwoordig meestal wel het geval voor het contractuele administratief- en technisch personeel of voor hen is er op zijn minst de intentie om dit op korte termijn te realiseren.
Veel onderzoekers brengen dus een volledige loopbaan of een substantieel deel ervan door in het bediendenstelstel zonder tweede pensioenpijler. Voor onderzoekers die internationaal mobiel geweest zijn (wat vaak een zeer belangrijke rol speelt bij de aanwerving) is de pensioenproblematiek mogelijk nog groter. Hier moet dringend verandering in komen indien Vlaanderen effectief de kenniseconomie kan uitbouwen die ze voor ogen heeft.
VSOA Onderwijs vraagt daarom om zo snel mogelijk werk te maken van een volwaardige tweede pensioenpijler voor contractuele onderzoekers. Dit gebeurt liefst op hoger niveau dan dat van de individuele instellingen gelet op het toenemend belang van de (internationale) mobiliteit.
Het VSOA stelt zich ook ernstige vragen bij de financiering van de universiteiten op basis van het aantal behaalde doctoraten. Daar is geen academische of maatschappelijke vraag naar ! Het VSOA pleit wel voor een opdeling van de doctoraten in academische en professionele.

9. Financiële middelen efficiënter aanwenden
Omwille van budgettaire redenen – een algemeen probleem voor de openbare sector - zullen er belangrijke knopen moeten doorgehakt worden, want de openbare financiën moeten snel gesaneerd worden. Alle entiteiten in dit land dienen tezamen in 2016 een begrotingsevenwicht te behalen. Dit is een gevolg van de budgettaire regels die worden opgelegd door de Europese Unie. Deze regelgeving is in België goedgekeurd door de diverse entiteiten. Daarnaast is er de nieuwe bijzondere financieringswet in het kader van de zesde staatshervorming. Deze laatste laat de budgettaire middelen voor de nieuwe bevoegdheden van de deelstaten maar overgaan voor 87,5 %. Dit betekent dat er in de nieuwe Vlaamse regeringsploeg voor zowat 1,5 miljard euro moet gezocht worden om het begrotingsevenwicht te bewaren.
Het VSOA Onderwijs zal er dan ook op toezien dat de huidige budgettaire enveloppe voor onderwijs ( 10,5 miljard ) behouden blijft !
Bijgevolg zal men in de nabije toekomst zuiniger moeten omspringen met de bestaande middelen of men dat nu wil of niet…   Dat is meteen ook een uitdaging voor een vakbond, want “crisissen zijn terzelfdertijd ook uitdagingen”… Waar er exact moet bespaard worden, is de verantwoordelijkheid van de politiek. Wel pleit het VSOA Onderwijs ervoor om het onderwijs efficiënter te organiseren; bijvoorbeeld door een schaalvergroting voor de scholengemeenschappen door te voeren, zodat ze beter kunnen bestuurd worden. Het geld dat daardoor vrijkomt, kan dan opnieuw aangewend worden als bijkomende werkingsmiddelen voor de scholen zelf. De laatste jaren zijn er trouwens te veel middelen gegaan naar een dure omkadering.
Ook in het hoger onderwijs alsook bij de universiteiten zijn er mogelijkheden voor fusies en samenwerkingen. In concreto zijn er nogal wat eerste jaren van BA programma’s samen te voegen.
Voor de kwaliteit van het onderwijs pleit het VSOA wel voor een algemene tweejarige masteropleiding.
De drie jaren bachelor opleiding en de twee jaren master onderwijs moet de algemene leidraad worden. Het VSOA staat ook achter het idee van de professionele bachelor binnen de hogescholen. Voor het universitair onderwijs pleit het VSOA ervoor om het stricto sensu denken met betrekking tot academische bachelor alsook master open te trekken voor ook meer professioneel arbeidsgerichte en maatschappelijk relevante opleidingen. 

10. Behoud van het statuut en vrijheid van onderwijs
Het VSOA blijft voorstander van statutaire aanwervingen in het onderwijs. Dit is een waarborg voor de onafhankelijkheid en bovendien is het daaraan gekoppeld pensioensysteem zeker niet duurder dan het pensioensysteem voor contractuelen. Het VSOA staat voor de vrije keuze van studierichting en is tegen de toelatingsproeven. Het gekende voorbeeld  inzake de geneeskunde alsook de tandheelkunde roept vele vragen op; namelijk het tekort aan tandartsen, het feit dat alleen Vlaanderen dat doet in dit land en ook het gegeven dat die toelatingsproeven dikwijls irrelevante zaken meten. Inzake de pensioenen blijft het VSOA waakzaam, omdat ook hier de deelstaten voortaan moeten bijdragen aan de federale schatkist.